Job 8:21
Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.
6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
20Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;
13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
21Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.
22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
6Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
20
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
21Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
15Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon.
5Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?
28Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
6Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
7Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn van goeder harte; want God heeft alrede een behagen aan uw werken.
6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
9Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
10Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.