Job 20:5

Statenvertaling (States Bible)

Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 37:35-36 : 35 Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. 36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
  • Ps 73:18-20 : 18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
  • Matt 7:21 : 21 Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
  • Matt 13:20-21 : 20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; 21 Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.
  • Hand 12:22-23 : 22 En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen! 23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.
  • Gal 6:4 : 4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.
  • Jak 4:16 : 16 Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.
  • Ex 15:9-9 : 9 De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien. 10 Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
  • Richt 16:21-30 : 21 Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis. 22 En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd. 23 Toen verzamelden zich de vorsten der Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven. 24 Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onzen vijand, en die ons land verwoestte, en die onzer verslagenen velen maakte! 25 En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren. 26 Toen zeide Simson tot den jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, op dewelke het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune. 27 Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten der Filistijnen; en op het dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde. 28 Toen riep Simson tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. 29 En Simson vatte de twee middelste pilaren, op dewelke het huis was gevestigd, en waarop het steunde, de enen met zijn rechterhand, en den anderen met zijn linkerhand; 30 En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
  • Esth 5:11-12 : 11 En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings. 12 Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met den koning genodigd.
  • Esth 7:10 : 10 Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.
  • Job 5:3 : 3 Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.
  • Job 8:12-13 : 12 Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras. 13 Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.
  • Job 8:19 : 19 Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
  • Job 15:29-34 : 29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. 30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. 31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen. 32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. 33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. 34 Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken.
  • Job 18:5-6 : 5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. 6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
  • Job 27:8 : 8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
  • Job 27:13-23 : 13 Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen. 14 Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. 15 Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. 16 Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; 17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. 18 Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt. 19 Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. 20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. 22 En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden. 23 Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;

  • 8Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • Ps 94:3-4
    2 verzen
    72%

    3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?

    4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?

  • 5Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

  • 13Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.

  • Job 22:19-20
    2 verzen
    71%

    19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;

    20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.

  • 10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.

  • 20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.

  • 28De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.

  • 30Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.

  • 20

  • 10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

  • 15En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den HEERE, en ontkomen.

  • 8De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;

  • Ps 52:6-7
    2 verzen
    70%

    6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

    7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  • 6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.

  • 5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.

  • 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

  • 7Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;

  • 19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.

  • 10Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

  • 12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.

  • 14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;

  • 20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;

  • 21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

  • 27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.

  • 22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

  • 7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

  • 17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

  • 15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

  • 15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.

  • 23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

  • 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

  • Ps 10:2-3
    2 verzen
    68%

    2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

    3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.

  • 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.

  • 12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.

  • 9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

  • 25Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

  • 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

  • 5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

  • 11Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.

  • 13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  • 13Maar den goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.

  • 30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.