Job 20:5
Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?
Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;
8Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?
4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?
5Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
13Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.
28De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.
30Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.
20
10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
15En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den HEERE, en ontkomen.
8De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;
6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
7Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
10Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.
12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
25Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.
13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
11Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.
13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
13Maar den goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.
30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.