Job 3:20

Statenvertaling (States Bible)

Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 7:15-16 : 15 Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen. 16 Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.
  • Jer 20:18 : 18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?
  • Spr 31:6 : 6 Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
  • 1 Sam 1:10 : 10 Zij dan viel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot den HEERE, en zij weende zeer.
  • 2 Kon 4:27 : 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
  • Job 3:16 : 16 Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
  • Job 6:9 : 9 En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
  • Job 33:28 : 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
  • Job 33:30 : 30 Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 3:21-23
    3 verzen
    83%

    21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

    22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

    23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

  • 25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

  • 17Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel.

  • 28Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.

  • 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 30Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.

  • 39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.

  • Klaagl 3:1-2
    2 verzen
    75%

    1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

    2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

  • 19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

  • 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

  • 26Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • Job 10:20-22
    3 verzen
    72%

    20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

    21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

    22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

  • 20

  • Job 33:19-20
    2 verzen
    72%

    19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

    20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;

  • 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

  • Job 30:25-26
    2 verzen
    72%

    25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

    26Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.

  • 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

  • 22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.

  • 17Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes.

  • 12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.

  • 9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

  • 23Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Datzelve is ook ijdelheid.

  • 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  • 3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

  • 10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.

  • 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  • 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

  • 17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 6Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des mensen veel is over hem.

  • 4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

  • 3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.

  • Job 3:16-17
    2 verzen
    71%

    16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

    17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.

  • 6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.

  • 22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.

  • 22Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?

  • 8Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat zal gekomen is, is ijdelheid.