Job 7:11

Statenvertaling (States Bible)

Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 40:9 : 9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
  • Job 10:1 : 1 Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
  • 1 Sam 1:10 : 10 Zij dan viel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot den HEERE, en zij weende zeer.
  • Job 21:25 : 25 De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
  • Jes 38:15 : 15 Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
  • Jes 38:17 : 17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
  • Matt 26:37-38 : 37 En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij droevig en zeer beangst te worden. 38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
  • Luk 22:44 : 44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
  • 2 Kor 2:4 : 4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb.
  • Gen 42:21 : 21 Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.
  • Ps 39:3 : 3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
  • 2 Kon 4:27-28 : 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. 28 En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?
  • Job 6:26 : 26 Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
  • Job 10:15 : 15 Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.
  • Job 13:13 : 13 Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
  • Job 16:6 : 6 Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
  • Job 21:3-4 : 3 Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. 4 Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 10:1-2
    2 verzen
    85%

    1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

    2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • Job 7:12-13
    2 verzen
    82%

    12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

    13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • Job 7:19-21
    3 verzen
    76%

    19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

    20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

    21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • 6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

  • Job 7:15-16
    2 verzen
    75%

    15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

    16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • Job 9:27-28
    2 verzen
    75%

    27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

    28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  • Job 13:13-14
    2 verzen
    74%

    13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

    14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • Job 30:27-28
    2 verzen
    74%

    27Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.

    28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

  • 10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  • 2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.

  • 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.

  • 25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  • 7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 6Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

  • 10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 72%

    20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

    21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

  • 10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

  • 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.

  • 9Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.

  • 8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.

  • 3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;

  • 30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).