Job 30:27

Statenvertaling (States Bible)

Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Klaagl 2:11 : 11 Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;
  • Ps 22:4 : 4 Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.
  • Jer 4:19 : 19 O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij, mijn ziel! hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei.
  • Jer 31:20 : 20 Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.
  • Klaagl 1:20 : 20 Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 30:15-18
    4 verzen
    81%

    15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

    16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

    17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.

    18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

  • 20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

  • 28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

  • 19O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij, mijn ziel! hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei.

  • Job 3:24-26
    3 verzen
    76%

    24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

    25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

    26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  • 26Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.

  • Ps 38:6-8
    3 verzen
    76%

    6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.

    7Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.

    8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • Jes 21:3-4
    2 verzen
    75%

    3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

    4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • Ps 77:2-3
    2 verzen
    74%

    2Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.

    3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

  • 13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

  • 14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.

  • Ps 31:9-10
    2 verzen
    73%

    9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

    10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 73%

    19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.

    20Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.

  • 31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

  • 10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.

  • 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

  • 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  • 11Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-heres.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.

  • 6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

  • 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  • 4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

  • 13Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.

  • 5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

  • 17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.

  • 5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

  • 16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

  • 15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 71%

    3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

  • 3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.