Job 3:24

Statenvertaling (States Bible)

Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 102:9 : 9 Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
  • Ps 38:8 : 8 Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
  • Ps 42:3-4 : 3 Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? 4 Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
  • Ps 80:5 : 5 O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?
  • Jes 59:11 : 11 Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is verre van ons.
  • Klaagl 3:8 : 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
  • Job 6:7 : 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
  • Job 7:19 : 19 Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?
  • Job 33:20 : 20 Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;
  • Ps 22:1-2 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. 2 Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
  • Ps 32:3 : 3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

  • 3Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

  • Job 7:11-12
    2 verzen
    77%

    11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

    12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • Ps 38:8-10
    3 verzen
    77%

    8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.

    9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

    10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.

  • 76%

    20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

    21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

    22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • Ps 69:2-3
    2 verzen
    76%

    2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

    3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

  • 9Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.

  • Ps 31:9-10
    2 verzen
    76%

    9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

    10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 76%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.

  • Ps 32:3-4
    2 verzen
    75%

    3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

    4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

  • Ps 22:13-15
    3 verzen
    75%

    13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

    14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

    15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

  • 2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.

  • 3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • Job 30:27-28
    2 verzen
    74%

    27Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.

    28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

  • 20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.

  • Ps 102:4-5
    2 verzen
    74%

    4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

    5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

  • 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

  • 16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.

  • 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  • 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

  • 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

  • 16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.

  • 49Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.

  • 23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?