Job 10:1

Statenvertaling (States Bible)

Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 7:11 : 11 Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
  • 1 Kon 19:4 : 4 Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
  • Num 11:15 : 15 En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!
  • Job 9:21 : 21 Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
  • Job 10:15-16 : 15 Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende. 16 Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.
  • Job 14:13 : 13 Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
  • Job 16:6-9 : 6 Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? 7 Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest. 8 Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. 9 Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. 10 Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. 11 God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen. 12 Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. 13 Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. 14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige. 15 Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. 16 Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.
  • Job 19:4 : 4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.
  • Job 21:2-4 : 2 Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen. 3 Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. 4 Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
  • Ps 32:3-5 : 3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. 4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
  • Jes 38:15 : 15 Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
  • Jes 38:17 : 17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
  • Jona 4:3 : 3 Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.
  • Jona 4:8 : 8 En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijner ziel te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven.
  • Job 7:16 : 16 Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.
  • Job 3:20-23 : 20 Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed? 21 Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten; 22 Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden; 23 Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
  • Job 5:15-16 : 15 Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken. 16 Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
  • Job 5:20 : 20 In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.
  • Job 6:2-4 : 2 Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! 3 Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. 4 Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
  • Job 6:8-9 : 8 Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; 9 En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
  • Job 6:26 : 26 Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 7:11-13
    3 verzen
    85%

    11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

    12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

    13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  • Ps 31:9-10
    2 verzen
    77%

    9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

    10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • Job 9:27-28
    2 verzen
    77%

    27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

    28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • Ps 143:3-4
    2 verzen
    76%

    3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

    4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • Job 7:15-16
    2 verzen
    76%

    15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

    16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 3Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.

  • 2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.

  • Job 6:9-10
    2 verzen
    75%

    9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

    10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • Job 13:13-15
    3 verzen
    74%

    13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

    14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

    15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • 2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 2Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?

  • Job 16:6-7
    2 verzen
    73%

    6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

  • 3Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.

  • 73%

    3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

  • 2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

  • 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

  • 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

  • 19O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!

  • 72%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • 9Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

  • 11Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]

  • 5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

  • 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.