Job 21:4
Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.