Job 4:17
Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
15Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.
16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
4Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
4Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.
12Zijt Gij niet van ouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o HEERE! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest.
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?
2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
20Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?
18Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
2En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
7Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
5Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
18Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
20Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.