Job 11:4

Statenvertaling (States Bible)

Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 10:7 : 7 Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
  • Job 6:10 : 10 Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
  • Job 6:29-30 : 29 Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn. 30 Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
  • Job 7:20 : 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
  • Job 9:2-3 : 2 Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? 3 Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
  • Job 14:4 : 4 Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.
  • Job 34:5-6 : 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen. 6 Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
  • Job 35:2 : 2 Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
  • 1 Petr 3:15 : 15 Maar heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

  • Job 33:8-9
    2 verzen
    77%

    8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

    9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.

  • Job 35:2-3
    2 verzen
    76%

    2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

    3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?

  • 76%

    24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

    25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.

  • 13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?

  • Ps 18:23-24
    2 verzen
    76%

    23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

    24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • Job 14:3-4
    2 verzen
    75%

    3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

    4Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.

  • 17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.

  • 35Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.

  • 9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

  • 17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

  • 4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

  • Job 9:30-31
    2 verzen
    74%

    30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

    31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

  • 12Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;

  • 15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

  • 4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;

  • 5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  • 10Want gij hebt op uw boosheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.

  • 3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.

  • 4Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.

  • 8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • 27Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

  • 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

  • 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

  • 26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

  • 7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

  • 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  • 4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

  • Job 15:12-13
    2 verzen
    72%

    12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

    13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

  • 22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.

  • 3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.

  • 71%

    4Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.

  • 5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

  • 140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.

  • 4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!

  • 16Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.

  • 28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.