Psalmen 17:3
Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
3Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
10Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
6Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
12Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.
9De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
20Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.