Job 33:3
Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
4Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
4En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om bescheidenlijk te spreken.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
2De Geest des HEEREN heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.