Job 31:6
Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
11Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
6Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
21Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
29Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
28Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
1Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.
15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.