Job 6:28
Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
29Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.
6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
25Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
35Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
20Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
3Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij, voor den HEERE, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
27Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;
8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
7Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?
5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
22Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?
8Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
3Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
46Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?
21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.