Job 21:5
Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
16De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.
5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.