Psalmen 55:5

Statenvertaling (States Bible)

Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 119:120 : 120 Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
  • Job 21:6 : 6 Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
  • Job 23:15-16 : 15 Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem; 16 Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;
  • Ps 42:6 : 6 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
  • Ps 61:2 : 2 O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.
  • Ps 88:15-16 : 15 HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? 16 Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.
  • Jes 21:4 : 4 Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.
  • Ezech 7:18 : 18 Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.
  • Luk 22:44 : 44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
  • 2 Sam 15:14 : 14 Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.
  • Job 6:4 : 4 Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

  • Job 4:14-15
    2 verzen
    83%

    14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

    15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.

  • Job 3:25-26
    2 verzen
    82%

    25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

    26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  • 6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.

  • Jes 21:3-4
    2 verzen
    81%

    3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

    4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • Job 23:15-16
    2 verzen
    79%

    15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;

    16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

  • 53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

  • 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.

  • Job 30:15-16
    2 verzen
    77%

    15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

    16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

  • 23Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.

  • 2 Sam 22:5-6
    2 verzen
    76%

    5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

    6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

  • Ps 18:4-5
    2 verzen
    75%

    4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

    5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

  • 16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.

  • Job 9:34-35
    2 verzen
    74%

    34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

    35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  • Ps 88:15-16
    2 verzen
    74%

    15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?

    16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

  • 5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

  • 47Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.

  • 27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

  • 3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

  • 11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

  • 6Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.

  • 21En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).

  • 14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;

  • 12Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 5Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.

  • 20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

  • 30Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.

  • 5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.

  • 5De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;

  • 8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 17De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners des lands!

  • 35Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.