Job 23:15

Statenvertaling (States Bible)

Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 119:120 : 120 Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
  • Hab 3:16 : 16 Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.
  • Job 10:15 : 15 Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.
  • Job 23:3 : 3 Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
  • Job 31:23 : 23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
  • Ps 77:3 : 3 Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 23:16-17
    2 verzen
    84%

    16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

    17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

  • 6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.

  • 23Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.

  • Job 3:25-26
    2 verzen
    79%

    25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

    26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  • Ps 55:4-5
    2 verzen
    79%

    4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

    5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

  • Job 9:34-35
    2 verzen
    78%

    34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

    35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  • 14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.

  • Job 4:14-15
    2 verzen
    77%

    14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

    15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.

  • 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

  • 120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

  • 4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • 34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.

  • 3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • 14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;

  • 15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

  • Ps 73:15-16
    2 verzen
    72%

    15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

    16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

  • 15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?

  • 16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.

  • 14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?

  • 15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 7Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • Ps 77:3-4
    2 verzen
    71%

    3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

    4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

  • Job 23:7-9
    3 verzen
    71%

    7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

    8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.

    9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.

  • 11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

  • 25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

  • 13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.

  • 24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

  • 11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

  • 21En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).

  • 15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.