Job 13:11
Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
10Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.
5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
13Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.
33
21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;
34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
9En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.
7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
25Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
12Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.
7Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
35Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
11Opdat gans Israel het hore en vreze, en niet voortvare te doen naar dit boze stuk in het midden van u.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
7Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
11Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?
8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.
3Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
13Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
31Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
19En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.
120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
3Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
17En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning;