Job 39:20
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
33
9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
28
10Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
39
6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?