Job 39:13
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.
15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.
11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
4Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
41
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.
17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
13De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.
6Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.
5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
39
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
14En de gier, en de kraai, naar haar aard;
9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.
17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;
4Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.
9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
8Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.
6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
26Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?
12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.