Job 39:14

Statenvertaling (States Bible)

Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:12-13
    2 verzen
    84%

    12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

    13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

  • Job 39:15-18
    4 verzen
    81%

    15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

    16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

    17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

    18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

  • Jes 34:13-15
    3 verzen
    75%

    13En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning der draken zijn, een zaal voor de jongen der struisen.

    14En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.

    15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.

  • Job 39:26-30
    5 verzen
    75%

    26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

    27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

    28In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

    29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

    30Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]

  • 14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.

  • 11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;

  • Deut 22:6-7
    2 verzen
    72%

    6Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.

    7Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.

  • 11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

  • 71%

    15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

    16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,

    17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;

    18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;

  • Job 39:1-4
    4 verzen
    71%

    1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

    2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

    3Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

    4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

  • 17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

  • 5Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er berst een adder uit.

  • 3Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.

  • 7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

  • 38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • Lev 11:16-19
    4 verzen
    68%

    16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

    17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,

    18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,

    19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.

  • 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

  • 3Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.

  • Job 38:40-41
    2 verzen
    68%

    40

    41

  • 19Een wind heeft hen gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden.

  • 5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

  • 13De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • 4Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

  • 4Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.

  • 14En de gier, en de kraai, naar haar aard;

  • 8Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.

  • 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

  • 18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: