Job 39:15

Statenvertaling (States Bible)

Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:16-18
    3 verzen
    84%

    16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

    17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

    18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

  • 14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

  • 15Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.

  • 72%

    56Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;

    57En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.

  • 5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

  • Job 28:7-8
    2 verzen
    72%

    7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

    8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

  • Job 39:1-4
    4 verzen
    72%

    1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

    2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

    3Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

    4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

  • Job 39:28-30
    3 verzen
    71%

    28In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.

    29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

    30Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]

  • 17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;

  • 3Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.

  • 6Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten.

  • 5Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.

  • Job 38:39-40
    2 verzen
    70%

    39

    40

  • 20De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.

  • 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  • 8En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van den basilisk.

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • Ps 91:12-13
    2 verzen
    69%

    12Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

    13Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.

  • 13En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?

  • 19Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.

  • Nah 2:11-12
    2 verzen
    68%

    11Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.

    12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.

  • Ezech 19:2-3
    2 verzen
    68%

    2En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.

    3Zij toog nu een van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.

  • 10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

  • 10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

  • 12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

  • 21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

  • 14Uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;

  • 5Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde.

  • 34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;

  • Job 5:22-23
    2 verzen
    68%

    22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

    23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  • 5Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er berst een adder uit.

  • 4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

  • 11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

  • 10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.