Spreuken 5:6
Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
26Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
6En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
33Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.