Spreuken 9:15

Statenvertaling (States Bible)

Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 7:13-15 : 13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
  • Spr 7:25-27 : 25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. 26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. 27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
  • Spr 23:27-28 : 27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put. 28 Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

  • Spr 9:13-14
    2 verzen
    82%

    13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

    14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

  • Spr 9:1-6
    6 verzen
    81%

    1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

    2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

    3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

    4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

    5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.

    6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

  • Spr 8:1-4
    4 verzen
    77%

    1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?

    2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;

    3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:

    4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.

  • Spr 1:20-21
    2 verzen
    77%

    20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.

    21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

  • Spr 7:5-8
    4 verzen
    77%

    5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

    6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

    7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;

    8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

  • Spr 7:10-12
    3 verzen
    75%

    10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  • 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  • Spr 2:18-20
    3 verzen
    72%

    18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

    19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

    20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • Spr 3:17-18
    2 verzen
    71%

    17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

    18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

  • Spr 4:14-15
    2 verzen
    70%

    14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

    15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

  • 29Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?

  • 34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

  • 27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.

  • Spr 2:15-16
    2 verzen
    69%

    15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

    16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;

  • 9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

  • 9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]

  • 21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.

  • 20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

  • 17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

  • 15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?

  • 9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.

  • 9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.

  • 19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;

  • 32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.