Spreuken 9:13
Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
12Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
15Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
19Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?
15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.