Spreuken 14:1
Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
13Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
1Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
19Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
15Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
9Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.