Spreuken 31:13
Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
18Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
19Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
21Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
23Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
24Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
25En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.
26En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.
15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
2Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
20Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;
4Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,
5En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
10Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij alle goed werk nagetracht heeft.
13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
35Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en des wevers; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid.
4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
11Wanneer mannen, de een met den ander, twisten, en de vrouw des enen toetreedt, om haar man uit de hand desgenen, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt;
10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
22Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.