Spreuken 4:8
Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.
15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
18Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
11Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;