Spreuken 2:16

Statenvertaling (States Bible)

Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 6:24 : 24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
  • Spr 23:27 : 27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
  • Pred 7:26 : 26 En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
  • Spr 7:5-9 : 5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit. 6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; 7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling; 8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; 10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17 Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; 18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; 20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen. 22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. 23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
  • Gen 39:3-9 : 3 Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte; 4 Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand. 5 En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld. 6 En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. 7 En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij! 8 Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. 9 Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God! 10 En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; 11 Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis. 12 En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
  • Neh 13:26-27 : 26 Heeft niet Salomo, de koning van Israel, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israel gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen. 27 Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?
  • Spr 5:3-9 : 3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. 4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast. 6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. 7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds. 8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; 10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; 11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! 14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering! 15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; 17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; 19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
  • Spr 22:14 : 14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
  • Spr 29:5 : 5 Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

  • Spr 6:24-26
    3 verzen
    88%

    24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

    25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

    26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

  • Spr 5:19-20
    2 verzen
    82%

    19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.

    20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

  • Spr 2:11-12
    2 verzen
    80%

    11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;

    12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

  • Spr 5:2-4
    3 verzen
    79%

    2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.

    3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

    4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

  • Spr 2:17-18
    2 verzen
    79%

    17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;

    18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

  • 78%

    32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.

    33Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.

    34Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.

    35Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.

  • 14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

  • Spr 7:21-22
    2 verzen
    78%

    21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

    22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

  • 15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

  • Spr 5:6-9
    4 verzen
    76%

    6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

    7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

    8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

    9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;

  • 27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

  • Spr 4:5-6
    2 verzen
    76%

    5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.

    6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.

  • 33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.

  • 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  • 16Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

  • Spr 7:10-12
    3 verzen
    74%

    10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.

  • 13Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.

  • 16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

  • 33Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.

  • 17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!

  • 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

  • 5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.

  • 25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

  • 17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

  • 2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

  • 15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

  • 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.