Spreuken 5:2
Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.