Spreuken 4:24
Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.