Spreuken 4:15
Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
21En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
11Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.