Spreuken 4:13
Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
16Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.