Prediker 7:18

Statenvertaling (States Bible)

Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Pred 12:13 : 13 Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.
  • Pred 8:12 : 12 Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.
  • Pred 11:6 : 6 Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide te zamen goed zijn zullen.
  • Luk 11:42 : 42 Maar wee u, Farizeen, want gij vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
  • Jer 32:40 : 40 En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.
  • Mal 4:2 : 2 Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.
  • Luk 1:50 : 50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.
  • Ps 25:12-14 : 12 Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen. 13 Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven. 14 Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
  • Ps 145:19-20 : 19 Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen. 20 Schin. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.
  • Spr 4:25-27 : 25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. 26 Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. 27 Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
  • Spr 8:20 : 20 Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
  • Pred 3:14 : 14 Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

  • 19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.

  • Pred 7:14-17
    4 verzen
    75%

    14Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.

    15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.

    16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?

    17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?

  • 14Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.

  • 28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

  • Spr 14:26-27
    2 verzen
    73%

    26In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.

    27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

  • 7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.

  • 9En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.

  • 13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.

  • 10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

  • 12Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.

  • 14Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.

  • 27Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

  • 5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.

  • 13Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.

  • 9En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.

  • 27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

  • 10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.

  • 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

  • 4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

  • 7Indien gij de onderdrukking des armen, en de beroving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven henlieden.

  • 18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • 31Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • Pred 8:2-3
    2 verzen
    70%

    2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.

    3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.

  • 8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.

  • 11De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.

  • 5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.

  • 7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.

  • 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

  • 16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.

  • 19De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en den uitgestrekten arm, door welken u de HEERE uw God, heeft uitgevoerd; alzo zal de HEERE, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.

  • 20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.

  • 10Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.

  • 2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.

  • 12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.

  • 7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

  • 11Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.

  • 21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

  • 17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.