Job 4:6
Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;
5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
7Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
10Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: Het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek.
11Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?
6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
18En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
17Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?
27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
19Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
26In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
18Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
4Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
12Zijt Gij niet van ouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o HEERE! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?