Job 10:3

Statenvertaling (States Bible)

Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 14:15 : 15 Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
  • Ps 138:8 : 8 De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.
  • Jes 64:8 : 8 Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.
  • Jer 12:1-3 : 1 Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven? 2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren. 3 Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.
  • Klaagl 3:2-9 : 2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. 4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. 5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7 Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. 9 Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. 10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11 Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. 13 He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. 14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag. 15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. 16 Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt. 17 Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18 Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
  • 1 Petr 4:19 : 19 Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.
  • Job 8:20 : 20 Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;
  • Job 9:22 : 22 Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
  • Job 9:24 : 24 De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
  • Job 21:16 : 16 Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
  • Job 22:18 : 18 Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
  • Job 34:5-7 : 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen. 6 Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding. 7 Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
  • Job 34:18-19 : 18 Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen! 19 Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
  • Job 36:7-9 : 7 Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven. 8 En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende; 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;
  • Job 36:17-18 : 17 Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast. 18 Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
  • Job 40:2 : 2 Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
  • Job 40:8 : 8 Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
  • Ps 69:33 : 33 De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

  • Ps 10:13-15
    3 verzen
    77%

    13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?

    14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.

    15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?

  • 3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?

  • Job 15:12-13
    2 verzen
    75%

    12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

    13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 3Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.

  • 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

  • 13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?

  • 8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

  • 16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

  • Job 34:17-18
    2 verzen
    74%

    17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?

    18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!

  • 17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

  • 1Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?

  • Job 10:6-8
    3 verzen
    74%

    6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

    7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

    8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

  • 16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

  • Ps 10:2-3
    2 verzen
    74%

    2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

    3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.

  • 13Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.

  • 7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

  • 2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.

  • 4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

  • 17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

  • Job 35:6-8
    3 verzen
    73%

    6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?

    7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?

    8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.

  • 35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;

  • 20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?

  • Job 35:2-3
    2 verzen
    72%

    2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

    3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • Job 18:3-4
    2 verzen
    72%

    3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

    4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  • 28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

  • 24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

  • 11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.

  • Job 34:9-10
    2 verzen
    72%

    9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.

    10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!

  • 23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

  • 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.