Job 36:23

Statenvertaling (States Bible)

Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 8:3 : 3 Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
  • 1 Kor 2:16 : 16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.
  • Ef 1:11 : 11 In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;
  • Rom 11:34 : 34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
  • Job 34:10 : 10 Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
  • Jes 40:13-14 : 13 Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? 14 Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
  • Rom 2:5 : 5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
  • Rom 3:5 : 5 Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)
  • Rom 9:14 : 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.
  • Job 34:13-33 : 13 Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt? 14 Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen; 15 Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren. 16 Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden. 17 Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen? 18 Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen! 19 Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk. 20 In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand. 21 Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. 22 Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten. 23 Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden. 24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats. 25 Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld. 26 Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn; 27 Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben; 28 Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore. 29 Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen? 30 Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn. 31 Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven. 32 Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen. 33 Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.
  • Job 40:8 : 8 Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  • 22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?

  • 31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?

  • 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  • Job 35:6-7
    2 verzen
    77%

    6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?

    7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?

  • 24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.

  • 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • Job 40:8-9
    2 verzen
    75%

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

    9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

  • 17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

  • Job 34:17-18
    2 verzen
    74%

    17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?

    18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!

  • 3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

  • 37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

  • Job 22:3-5
    3 verzen
    74%

    3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?

    4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?

    5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?

  • 2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

  • Jes 40:13-14
    2 verzen
    74%

    13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?

    14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?

  • Job 26:3-4
    2 verzen
    73%

    3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?

    4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • 29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?

  • Job 38:4-5
    2 verzen
    73%

    4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

    5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

  • 13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.

  • 13Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?

  • Job 34:32-33
    2 verzen
    72%

    32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

    33Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.

  • 2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

  • 4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

  • 23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.

  • 7Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?

  • 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.

  • 33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  • 26Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.

  • 16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?

  • 36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

  • 7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  • 3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

  • 9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

  • 3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?