Job 36:22
Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
19Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
33
34
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
26En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
5Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
32Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
6Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.
12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
18Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
26Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.