Job 35:11

Statenvertaling (States Bible)

Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 94:12 : 12 Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
  • Job 36:22 : 22 Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
  • Gen 1:26 : 26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
  • Gen 2:7 : 7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
  • Job 32:8 : 8 Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 12:7-9
    3 verzen
    82%

    7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

    8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

    9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

  • 10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?

  • 22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?

  • 12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.

  • 22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

  • Job 15:8-9
    2 verzen
    73%

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

    9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

  • Job 28:20-21
    2 verzen
    72%

    20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

    21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

  • Job 38:36-37
    2 verzen
    72%

    36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

    37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

  • 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  • Job 39:26-27
    2 verzen
    71%

    26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

    27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

  • Job 11:7-8
    2 verzen
    71%

    7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

    8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  • 3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • Jes 40:13-14
    2 verzen
    70%

    13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?

    14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?

  • 16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

  • 13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 41

  • 24Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?

  • Job 38:33-34
    2 verzen
    70%

    33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

    34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

  • 5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?

  • 18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:

  • 69%

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

  • 12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

  • 13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  • 3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

  • 12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

  • 19Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.

  • 11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.

  • 10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?

  • 14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

  • 34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

  • 3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.

  • 18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

  • 12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.