Job 21:22
Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
10Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
26En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
1Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
34
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?