Job 24:1
Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
25En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?
2Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.
9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
13Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.
7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
27Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
29Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;