Job 24:1

Statenvertaling (States Bible)

Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Hand 1:7 : 7 En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
  • Pred 3:17 : 17 Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.
  • Pred 8:6-7 : 6 Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des mensen veel is over hem. 7 Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
  • 2 Petr 3:7-8 : 7 Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen. 8 Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
  • Pred 9:11-12 : 11 Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijs der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart; 12 Dat ook de mens zijn tijd niet weet, gelijk de vissen, die gevangen worden met het boze net; en gelijk de vogelen, die gevangen worden met den strik; gelijk die, alzo worden de kinderen der mensen verstrikt, ter bozer tijd, wanneer derzelve haastelijk over hen valt.
  • Jes 2:12 : 12 Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
  • Jes 60:22 : 22 De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.
  • Jer 12:1-3 : 1 Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven? 2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren. 3 Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.
  • Jer 46:10 : 10 Maar deze dag is des HEEREN, des HEEREN der heirscharen, een dag der wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, HEERE der heirscharen, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath.
  • Dan 2:21 : 21 Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
  • Matt 24:38 : 38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
  • Luk 21:22-24 : 22 Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. 23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. 24 En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.
  • Joh 17:3 : 3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
  • Hand 17:26 : 26 En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning.
  • Rom 2:5 : 5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
  • 1 Thess 5:1 : 1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
  • 1 Tim 4:1 : 1 Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,
  • 1 Tim 6:15 : 15 Welke te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;
  • 2 Petr 2:3 : 3 En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.
  • Gen 7:4 : 4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
  • Gen 18:17 : 17 En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
  • Gen 18:20-21 : 20 Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is, 21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
  • Ps 9:10 : 10 En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
  • Ps 31:15 : 15 Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
  • Ps 36:10 : 10 Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
  • Ps 73:16-19 : 16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 9:11-12
    2 verzen
    74%

    11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.

    12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  • 23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

  • 3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

  • 2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?

  • 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.

  • Job 36:25-26
    2 verzen
    72%

    25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.

    26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.

  • Job 21:14-15
    2 verzen
    72%

    14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

    15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

  • Job 9:24-25
    2 verzen
    72%

    24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

    25En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?

  • 7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?

  • 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • 1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?

  • 2Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.

  • 4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

  • 21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

  • 9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • Job 24:22-23
    2 verzen
    70%

    22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

    23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.

  • Job 27:11-12
    2 verzen
    70%

    11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.

    12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

  • Job 23:8-9
    2 verzen
    70%

    8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.

    9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.

  • Job 10:4-5
    2 verzen
    70%

    4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

    5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

  • 13Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.

  • 7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.

  • 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

  • 7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  • 27Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?

  • 21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

  • 7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  • 14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.

  • 29Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;

  • 17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

  • Job 22:13-14
    2 verzen
    69%

    13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  • 21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;