Job 24:22
Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
21De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.
20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.
5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
33
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.
23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.