Job 21:23
Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
17En Job stierf, oud en der dagen zat.
21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
26Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
19Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.
2Hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een iegelijk, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.
32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
33De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
20
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.
22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.
4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
15Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.
48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
11Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.
13Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven.
19Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.
14Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
8Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat zal gekomen is, is ijdelheid.
7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
18En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.
2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.