Psalmen 73:4

Statenvertaling (States Bible)

Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 21:23-24 : 23 Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was; 24 Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
  • Job 24:20 : 20 De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.
  • Ps 17:10 : 10 Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
  • Ps 17:14 : 14 Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
  • Pred 2:16 : 16 Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
  • Pred 7:15 : 15 Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
  • Luk 16:22 : 22 En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 73:5-7
    3 verzen
    81%

    5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

    6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

    7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

  • Job 4:20-21
    2 verzen
    75%

    20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

    21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

  • 23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;

  • Job 21:7-9
    3 verzen
    71%

    7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

    8Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

    9Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.

  • 12Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.

  • 13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  • Job 24:22-23
    2 verzen
    71%

    22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

    23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.

  • Job 41:22-23
    2 verzen
    71%

    22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

    23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.

  • 8Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.

  • 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

  • 4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.

  • 14Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.

  • 24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

  • 32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.

  • 20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.

  • Ps 49:9-14
    6 verzen
    70%

    9(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);

    10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

    11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.

    12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

    13De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

    14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

  • 22Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.

  • 7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  • 28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.

  • 15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

  • 14Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.

  • 5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.

  • Job 3:21-22
    2 verzen
    69%

    21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

    22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

  • 16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

  • 17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

  • 1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.

  • 5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

  • 6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.

  • 29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

  • 15Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.

  • 48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

  • 8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;