Job 36:8

Statenvertaling (States Bible)

En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 107:10 : 10 Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
  • Spr 5:22 : 22 Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
  • Klaagl 3:9 : 9 Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
  • Ps 116:3 : 3 De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
  • Job 13:27 : 27 Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
  • Job 19:6 : 6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
  • Job 33:18-19 : 18 Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
  • Ps 18:5 : 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;

  • Job 36:9-11
    3 verzen
    78%

    9Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;

    10En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.

    11Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.

  • Job 36:6-7
    2 verzen
    78%

    6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.

    7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.

  • 10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

  • 11Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.

  • 15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.

  • 39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

  • 18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.

  • 18Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

  • Klaagl 3:6-7
    2 verzen
    72%

    6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

    7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  • 11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • 28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.

  • 4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.

  • 23Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;

  • 14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.

  • 19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.

  • 4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.

  • 8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.

  • Job 36:17-18
    2 verzen
    70%

    17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

    18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • Ps 73:5-6
    2 verzen
    70%

    5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

    6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

  • 9Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.

  • Jes 8:21-22
    2 verzen
    70%

    21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;

    22Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]

  • 11Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.

  • 34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;

  • 15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?

  • 23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.

  • 36En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;

  • 11Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrie had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

  • 17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;

  • 26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;

  • 8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 37En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • 13En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.

  • 22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

  • 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

  • 20Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;

  • 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

  • 15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.

  • 28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.

  • 14Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.

  • 18Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.