Job 38:15
En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.
14Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
15Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
5De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
13Daarom zal ulieden deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hogen muur, welks breuk haastelijk in een ogenblik komen zal.
14Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet verschonen; alzo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
9Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
3Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
38Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
15Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij.
10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
15Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?
12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.
12Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?
11Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.
25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.
10Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.