Job 38:14
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
16Ulieder omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet.
11Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
12En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.
17Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.
26Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;
18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.
9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.
16Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
4En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.
17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
12Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.
2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
6Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.
17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.
6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.
7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
22Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;
14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
14Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet verschonen; alzo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
14En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
24Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!
31
6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
8Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.
14Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.
3Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
14Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.
5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.