Job 19:24
Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!
Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!
8Nu dan, ga henen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos, tot in eeuwigheid.
1De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren;
2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;
17Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.
9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.
6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.
13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
8Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.
53Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?
11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
28Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
11Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee stenen graveren, met de namen der zonen van Israel; gij zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.
6Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
19En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
18En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinai te spreken geeindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.
5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
6Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
16En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.
16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
16Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.
16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
20Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.