Job 28:9

Statenvertaling (States Bible)

Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Nah 1:4-6 : 4 Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. 5 De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen. 6 Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 9:5-6
    2 verzen
    84%

    5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

    6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

  • Job 28:10-11
    2 verzen
    83%

    10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

    11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

  • Job 14:18-19
    2 verzen
    80%

    18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;

    19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.

  • 8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

  • 4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  • 4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

  • 6Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.

  • 8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 17Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.

  • Nah 1:4-6
    3 verzen
    74%

    4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.

    5De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.

    6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.

  • 32Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

  • 10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

  • 13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

  • 6Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!

  • 4En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.

  • 7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 2Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.

  • 19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

  • 25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.

  • Ps 78:15-16
    2 verzen
    72%

    15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

    16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

  • 72%

    2Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.

  • Job 26:11-12
    2 verzen
    72%

    11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

    12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.

  • 25Ziet, Ik wil aan u, gij verdervende berg! spreekt de HEERE, gij, die de ganse aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des brands.

  • Job 28:2-6
    5 verzen
    71%

    2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

    3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.

    4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.

    5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

    6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

  • 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  • 24Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

  • 30

  • 29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

  • 12En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.

  • 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

  • 9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

  • 8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.

  • 21De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen.