Job 40:20
Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?
21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
39
40
20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
11Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
8Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!
8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
13Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;
6Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?
8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.
22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.
23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.
34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.
1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
15En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;
12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.
7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.
4De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.
33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
6Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!
11Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.
12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
20Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
21En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;
23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.